|
klik dit icoontje voor een volledig beeld ^^^
In Dumpsite duurt het leven niet lang In een wijk in Manilla die op een vuilstortplaats ligt, proberen arme Filipino's te overleven.
Er wordt niet lang getreurd om Jonathan Arceo. Hij ligt in zijn kist, waarvan de bovenste helft geopend is. Door een glazen ruitje zou je hem moeten kunnen zien, maar het ruitje is zo smerig dat die vlek daarachter net zo goed zijn geest zou kunnen zijn als zijn gezicht. Niet dat er iemand door dat ruitje kijkt. Men heeft het veel te druk met kaarten.
De sarcofaag, de gordijnen, de kandelaars en de crucifix van de firma Everlasting Funeral (Eeuwigdurende begrafenis) vormen de macabere achtergrond voor een klein, winderig casino. Er wordt gespeeld om geld, en dat is hier schaars. Daarom bewaken de spelers de armetierige hoopjes geld op tafel, en klemmen ze met verbeten gezichten de speelkaarten in hun handen.
De tent met de spelers en Jonathans kist staat aan een zandweg in Tondo, een wijk van de Filipijnse hoofdstad Manilla. Zand is overal. En rook. En stank. Tondo ligt op een vuilnishoop en de naam van dit deel van Tondo is simpelweg Dumpsite: vuilstortplaats. Dit is het einde van de wereld. Verder dan hier komen zelfs de vuilniswagens niet, die zijn getooid met het milieubewuste opschrift Leonel Waste Management. Zij malen met hun wielen door de modder, die - als je goed kijkt - geen modder is maar tot pulp vergaan vuilnis.
Als je loopt, zak je tot je enkels in een stinkende slurry. Alles wat hier terechtkomt, krijgt dezelfde kleur en verliest ten slotte ook zijn vorm. Er is geen verschil meer tussen een schoen en een onderbroek, er is alleen maar grauwe pulp.
Maar voor het zover is, storten de mensen zich als meeuwen op wat er wordt neergekiept. Zij zijn het 'management' dat op Leonel's wagens genoemd wordt. Niets ontsnapt aan hun aandacht. Stukjes ijzerdraad, plastic flesjes, glas, en wat er verder nog aan opkopers kan worden doorverkocht, wordt gesorteerd en verzameld in grote plastic zakken. Wat de mannen over het hoofd zien, wordt bij elkaar gesprokkeld door de kinderen. En wat er blijft liggen als zelfs de kinderen en de honden het niet willen hebben, wordt met grijpers in 'de boot' gekieperd, die ermee wegvaart om het te dumpen op een eilandje voor de kust.
Overal branden vuurtjes waarin de plastic omkleding van kabels wordt afgebrand. De lucht is bruin, en de rook mengt zich met de stank van de vuilstort en het stof van de straat waarop alle steegjes uitkomen.
Dat stof ligt op het ruitje waardoor je Jonathan zou kunnen zien. Hij ligt al twee dagen opgebaard onder dat tentzeil, dat de zonnewarmte niet echt tegenhoudt. Jonathan was pas 25, zegt Marilou de Jesus, zijn tante. Het was een goede jongen. Hij werkte hard, tot hij stierf aan een gezwel in zijn maag, dat openbarstte. 'Hij had ontzettende pijn. Hij moet al heel lang ziek zijn geweest', zegt de tante. 'Maar hij klaagde nooit. Hij ging niet naar de dokter, omdat hij wist dat er toch geen geld was voor medicijnen.'
Aan de overkant van de stofweg verkoopt een winkeltje 'pak pak': plastic zakjes met kip. 'Mijn kinderen vinden het heerlijk', zegt Clarissa, die met een verlekkerde blik voor het kraampje staat. 'Pak pak' zijn resten kip die uit het vuilnis van restaurants zijn gevist, en daarna opnieuw gebakken. Clarissa koopt niets, want zij heeft zelfs geen geld voor dit kipafval.
Clarissa is 41 en heeft veertien kinderen, twee miskramen niet meegerekend. Zij trouwde toen ze 13 was en zit sindsdien in de baby's. De jongste van vier maanden hangt aan haar borst. Zij vindt zelf ook dat het genoeg is geweest, maar 'als God ons nog een kind schenkt, zullen wij dat accepteren', zegt ze gelaten. Voor gezinsplanning is voor mensen als Clarissa in de katholieke Filipijnen geen plaats. Hier maken de bisschoppen de dienst uit, en daarom verstrekt de regering geen voorbehoedmiddellen aan de armen. Geld om
die middelen te kopen heeft hier niemand. En net als Jonathan heeft ook zij geen geld voor medicijnen.
Drie van haar kinderen stierven toen zij een jaar oud waren, aan de mazelen. Een vierde, een meisje van 6, stierf kort nadat zij van de jongste was bevallen. Clarissa lag in het ziekenhuis, en de orkaan 'Parma' raasde over de stad, dus niemand keek om naar het meisje, dat klaagde over buikpijn. 'Een week later vertelde zij dat ze bloed in haar ontlasting had. Wij hadden door de bevalling geen geld meer om met haar naar de dokter te gaan. Na nog een week moesten we haar naar het ziekenhuis brengen.' Het meisje had dengue (knokkelkoorts) en zelfs bloedtransfusies konden haar niet meer redden. Op 14 oktober overleed ze. Ze mag het eigenlijk niet zeggen, maar van alle veertien kinderen was het meisje haar lievelingskind. Ze was altijd vrolijk en maakte iedereen aan het lachen. En nu, nu gaat er geen dag voorbij zonder dat Clarissa aan haar denkt, en zichzelf verwijt dat ze haar niet eerder naar de dokter had gebracht.
Terwijl zij praat, eet een van haar zoontjes een bordje rijst met sojasaus. Geld voor kip of groente is er niet altijd. Een ander kind, Danison, komt thuis. Hij is pikzwart. Over zijn schouder draagt hij een verweerde plastic zak. Danison heeft kooltjes gesprokkeld bij de houtskoolbranderijen aan de rand van de wijk. Een legertje kinderen scharrelt in de verstikkende rook, op zoek naar verloren stukjes houtskool. 'Gelukkig weten al mijn kinderen hoe zij moeten werken', zegt Clarissa. Danison is 11, maar ook de kleintjes van 6 en 7 gaan al houtskool rapen, of vuilnis sorteren.
Ze hebben nog geluk. Als je houtskool kunt zoeken en vuilnis sorteren, heb je te eten. In een ander deel van Tondo - dat even smerig is als Dumpsite, maar Happyland wordt genoemd - hebben ze knoflook. Elke ochtend komen er vrachtwagenladingen knoflook aan, en wie geen werk heeft kan altijd 10 tot 15 kilo knoflook pellen. Dat levert net genoeg op voor een avondmaal. Het is niet veel, maar het zou erger kunnen zijn.
Rosita Masgato zit in haar steegje en pelt, zonder ophouden, elke dag van zonsopgang tot de avond valt. Zij doet dat om niet gek te worden, zegt ze, terwijl een traan uit haar ooghoek ontsnapt. Die is voor haar zoon Joseph. Hij zou nu 26 zijn geweest, als niet iemand hem in zijn buik had gestoken. Heel haar leven had zij op hem gebouwd. 'Joseph zou voor mij zorgen. Hij had een baan.' Hij stierf in 2001, dertien jaar nadat zijn vader ook al was doodgestoken. 'Zijn vader kreeg ruzie bij de bingo', zegt Rosita. 'Ruzie over 50 centavos.'
Joseph was lid van een van de vele bendes in Tondo. Overal hangen groepjes jongens en mannen rond. Bij de kerk van Happyland is een kleine open plek, waar jongens basketballen. De populairste speler is Louie Balza, die een been mist, maar op het resterende been sneller uit de voeten kan dan zijn tweebenige tegenspelers. Hij wordt toegejuicht door de Guapitos Locos, 'gekke mooie jongens': de bende die dit hoekje van de buurt beheerst. Hun leider is een jonge man die zijn voortanden mist. Dat is moeilijk te zien, want hij lacht nooit. Hij loopt als een vechthaan en botst uitdagend tegen de anderen aan. Het ziet er onschuldig uit, maar is dat alleen als de zon schijnt. Als de avond valt, verandert Happyland in een schaduwrijk waar je beter weg kunt blijven.
Ook aan een eeuwigdurende begrafenis komt een eind. Op de derde dag glijdt een glimmend witte begrafenisauto Dumpsite binnen. Jonathan wordt ingeladen, met de gordijnen, de kandelaars en de crucifix. Wat achterblijft, zijn vertrapte speelkaarten. Het zal niet lang duren, of die hebben dezelfde kleur als de rest van Dumpsite.
De Filipijnen staan hoog op de 'wereldhongerlijst'. In 2008 bekleedde het eilandenrijk de vijfde plaats op deze lijst van landen met een hongerprobleem. Een groot deel van de Filipijnse bevolking lijdt honger of is ondervoed. Volgens een onderzoek van Gallup uit 2008 lijdt 40 procent van de 90 miljoen inwoners regelmatig honger. Alleen al in de hoofdstad Manilla hebben meer dan een half miljoen mensen niet genoeg te eten. Zij wonen in krottenwijken aan rivieroevers en op de uitgestrekte vuilnisbelten van de stad. Bijna de helft van de bevolking leeft in armoede.
Een recent rapport van Social Weather Stations bevestigt dat er structureel honger wordt geleden in de Filipijnen. 24 procent van de bevolking zegt de afgelopen drie maanden minstens één keer honger hebben geleden, aldus het rapport. 4,7 procent van de Filippino's zegt 'vaak' of zelfs 'bijna altijd' honger te hebben. Vooral onder kinderen is ondervoeding een groeiend probleem. Dat de Filipijnen de hoogste bevolkingsgroei van de hele wereld hebben maakt het probleem alleen maar groter. Die bevolkingsgroei is vooral het gevolg van de overheersende invloed van de katholieke kerk op de politiek. De bisschoppen zijn tegen geboortebeperking, en daarom wordt er door de overheid niet aan gezinsplanning gedaan.
Dezelfde bisschoppen zijn de afgelopen jaren ook steeds de eersten geweest om het hongerprobleem te bagatelliseren. 'Het begrip honger is te vaag. Misschien zijn er ondervoede kinderen, maar dat betekent niet meteen dat er een algemeen hongerprobleem is', zegt de bisschop van Malolos.
door: Michel Maas, Volkskrant
|